Europese bedrijven beginnen zich af te vragen hoe ze humanoïde robots aan het werk zullen zetten. Dat is verstandig. Maar hoe gaat Europa zelf een rol spelen in de productieketen van humanoïde robots?
Humanoïde robots zijn complexe machines, waardoor de kosten om ze te bouwen stevig oplopen. Het grootste deel kruipt in wat de robots letterlijk in beweging zet: motoren, tandwielkasten en aandrijfelektronica, die essentieel zijn voor lopen, tillen en stabiliteit. Ook de handen wegen stevig door, omdat ze vol fijne mechanismes en sensoren zitten om objecten nauwkeurig te grijpen. Verder gaat een flink stuk naar sensoren en perceptiesystemen, de batterij en het mechanische skelet. De computerkracht en AI zijn goed voor een relatief klein deel van het totale prijskaartje.
Toonaangevende bedrijven in humanoïde robotica, zoals Unitree Robotics en Tesla, kiezen voor een sterk verticaal geïntegreerd model: ze ontwikkelen zowat alles zelf, tot en met de chips. Voor Europa geloof ik niet dat die aanpak realistisch of wenselijk is. Het is kapitaalintensief, risicovol, langzaam en er is heel veel talent voor nodig. Als elk Europees robotbedrijf from scratch werkt, verzwakt ons collectief concurrentievermogen. Europa moet het hebben van samenwerken: een ecosysteemgedreven model, dat de beste expertise combineert.
We hebben een krachtig precedent uit de chipindustrie: de Eindhovense techparel ASML. Anders dan zijn belangrijkste concurrenten koos ASML niet voor verticale integratie, maar voor samenwerking: het ontwikkelde kerntechnologieën samen met partners zoals Zeiss (optiek), Trumpf (lasers) en onderzoeksinstellingen zoals Imec. Later zette het bedrijf een breed netwerk van leveranciers op. Zo slaagde ASML erin competenties in optica, software, lasers en materialen te combineren op een niveau dat geen enkel bedrijf ooit alleen zou bereiken. Resultaat: niemand kan vandaag geavanceerde chips maken zonder ASML-lithografie. Waarom zouden we dat trucje niet kunnen overdoen voor robots?
Onze Europese erfenis als hartland van de auto-industrie kan daarbij verrassend relevant blijken. Neem een bedrijf als Melexis, dat de omslag maakt van sensorchipfabrikant voor auto’s naar toepassingen in robotica. Zijn Hall-effectsensoren werden ooit ontwikkeld om te meten hoe diep en snel een bestuurder het rempedaal induwt, om een ABS-systeem te activeren. Nu duikt dezelfde -doorontwikkelde - technologie op als aanraaksensor in vingertoppen van robots.
Ook de toeleverancier Bosch zet in op robotica. Hij is sterk in micro-elektromechanische systemen, essentieel voor nauwkeurige bewegingsdetectie, stabiliteit en navigatie van robots. Bosch levert intussen aan Neura Robotics, dat vorige maand de grootste kapitaalronde ooit aankondigde voor een Duitse start-up.
En tot slot bouwt Europa aan een ecosysteem voor chiplets: modulaire, flexibele chips die het rekenwerk in een auto en robot kunnen verrichten.
Als Europese robotica-expert krijg ik vaak de vraag of wij Europeanen de robotrace niet allang verloren hebben. Het hangt er maar vanaf welke race we lopen, zeg ik dan. Als we kiezen we voor een ecosysteemaanpak, zoals we die kennen van de chipindustrie, dan zie ik redenen om hoopvol te zijn. Europa hoeft dus zeker niet op te geven in de robotrace. Het is een kwestie van de troeven op tafel te leggen en ze uit te spelen.
Deze column verscheen eerder in De Tijd.

Bram Vanderborght is als professor robotica verbonden aan Brubotics (VUB) en imec. Zijn onderzoek focust onder meer op het gebruik van zachte en zelfhelende actuatoren voor cognitieve en fysieke mens-robotinteractie, en dat in toepassingsdomeinen zoals gezondheid en productie.
Gepubliceerd op:
6 juli 2026












