De voorbije week zat ik in Wenen op de ICRA-conferentie (International conference on Robotics and Automation), de jaarlijkse hoogmis van de robotica, waar onderzoekers uit de hele wereld hun nieuwste resultaten komen presenteren. Een in het oog springende traditie is er de robotparade: een bonte stoet robots die door de conferentiehallen trekt. Jaar na jaar wordt de stoet langer, en steeds vaker krijgen de robots een menselijk uiterlijk.
Bij mij thuis ziet de robotparade er vooralsnog minder indrukwekkend uit. Een stofzuig- en dweilrobot, een robotmaaier en een robot die de ramen wast. Ze zitten vol sensoren en slimme software om efficiënt hun werk te doen, maar hebben toch hun beperkingen. Mijn stofzuigrobot kan niet zelf naar de eerste verdieping wandelen. Vergeet ik een deur te openen? Dan wordt die ruimte simpelweg niet gepoetst, en de ramenrobot springt nog niet Spiderman-gewijs van het ene raam naar het andere. De huidige robots zijn specialisten: elk toestel blinkt uit in één taak. Maar vraag hen niet om plots iets anders te doen.
Net daar zit de aantrekkingskracht van humanoïde robots: één machine die een waslijst aan taken uitvoert, in onze leefomgeving. En die omgeving is afgestemd op ons lichaam. Maar, het is niet enkel een kwestie van de juiste vorm. Het grotere probleem is dat klassieke programmatie niet volstaat voor de variatie aan taken en situaties waarmee zo’n robot geconfronteerd wordt. Probeer maar in regeltjes te omschrijven hoe een robot een kinderkamer moet opruimen. Fysieke AI is een veelbelovende technologie om meer flexibiliteit aan de dag te leggen, maar de stap naar echt mensachtige vaardigheden is aanzienlijk. Rodney Brooks, roboticapionier aan MIT, wijst erop dat robots niet alleen de finesse van onze handen missen, maar ook gevoel voor kracht en aanraking. Het idee dat ze dat zullen leren door wat video’s van menselijke handelingen te bekijken, noemt hij wishful thinking. Vooruitgang zal dan ook niet uit data alleen komen. Ze vraagt om een hechte integratie van sensoren, actuatoren en AI: robots die niet alleen kijken, maar ook voelen; niet alleen bewegen, maar hun kracht doseren, en bovenal leren door te doén, in de echte wereld. Daar zijn we nog niet.
Die scepsis remt de investeringsgolf allerminst: er stroomt veel kapitaal naar robotica. In 2025 haalden robotica-bedrijven wereldwijd een recordbedrag van 40,7 miljard dollar op, goed voor 9% van alle durfkapitaal, waarmee de sector zich naast AI positioneert als een van de belangrijkste investeringsdomeinen. Met zoveel middelen kan het ontwikkeltempo alleen maar versnellen.
Humanoïde robots zullen niet van de ene dag op de andere transformeren tot universele assistenten.
Toch geloof ik niet in een plots “ChatGPT-moment” voor robotica. Humanoïde robots zullen niet van de ene dag op de andere transformeren tot universele assistenten. Eerder evolueren we stap voor stap. Dat betekent volgens mij trouwens niet dat robots pas nuttig worden als ze perfect functioneren. Zelfs beperkte capaciteiten kunnen waarde creëren, zowel thuis als in de industrie.
Aan het eind van de robotrace wacht wellicht geen wereld met één type alleskunner, maar wel een bonte stoet van humanoïde robots, die veelzijdiger zullen zijn dan de huidige huishoudrobots, maar toch specialisaties zullen hebben. Net zoals er vandaag niet één auto bestaat, maar een gevarieerd landschap van stadswagens, bestelwagens en sportwagens.
Deze column verscheen eerder in De Tijd.

Bram Vanderborght is als professor robotica verbonden aan Brubotics (VUB) en imec. Zijn onderzoek focust onder meer op het gebruik van zachte en zelfhelende actuatoren voor cognitieve en fysieke mens-robotinteractie, en dat in toepassingsdomeinen zoals gezondheid en productie.
Gepubliceerd op:
9 juni 2026












