Wie weleens in het containerpark komt, kent de zone voor elektronisch afval. Het hoekje - meestal naast de lege spuitbussen en batterijen - is volgestouwd met oude smartphones, laptops, tv-toestellen, koptelefoons en opladers allerhande. Wereldwijd veroorzaken we met z’n allen 62 miljoen ton e-waste per jaar, een cijfer dat volgens de Verenigde Naties de komende jaren fors blijft stijgen.
Ook al zie je heel wat afgedankte elektronica in zo’n recyclagepark, slechts een klein deel wordt uiteindelijk gerecycleerd. E-waste eindigt vaak op stortplaatsen of wordt buiten de officiële recyclageketen verwerkt, met milieuschade tot gevolg. Dat probleem wordt alleen maar groter nu robots de fabriekshal verlaten en de komende jaren in
huizen, ziekenhuizen en steden verschijnen. De robotstofzuigers en robotmaaiers die vandaag uitgegroeid zijn van niche- tot massaproducten, vormen slechts een voorsmaakje van wat komt: de humanoïde robots.
Bank of America voorspelt 3 miljard humanoïdes tegen 2060. Dat zijn er dubbel zoveel als het aantal auto’s vandaag.
Humanoïde robots zijn nog vrij duur speelgoed met relatief beperkte mogelijkheden. Jaarlijks worden er een tienduizendtal stuks van verkocht. Naarmate de prijs zakt en het aantal toepassingen toeneemt, zal dat compleet veranderen. Bank Of America voorspelt 1 miljard humanoïds tegen 2050 en maar liefst 3 miljard tegen 2060. Dat is dubbel zoveel als het aantal auto’s vandaag op aarde. Eindigen die ooit allemaal op een onmetelijk robotkerkhof?
Het hoéft gelukkig niet zo te gaan. Wie een wasmachine koopt, kijkt niet alleen naar de prijs, het toerental of het volume van de wastrommel, maar houdt ook rekening met energieverbruik en de milieu-impact. Energielabels hebben consumenten geholpen om keuzes te maken en duwen bedrijven tegelijk richting duurzame innovaties.
Voor robots bestaat zo’n transparant systeem niet. Je weet in zekere zin niet wat je in huis of in je bedrijf haalt. Nochtans is dat relevant. Robots zijn complexe elektronicasystemen, opgebouwd uit materialen, batterijen, sensoren, processors en motoren. Al die componenten hebben een eigen ecologische voetafdruk, van grondstofwinning over productie tot end-of-life verwerking.
Ook het design heeft impact. De ene robot is gemaakt als wegwerpproduct, de andere is herstelbaar en recycleerbaar. Voor consumenten is die eerste categorie, gelet op de prijs en het aantal onderdelen dat kapot kan gaan, weinig interessant. En ook voor de Europese industrie zou een ecolabel weleens een belangrijke rol kunnen spelen. Als duurzaamheid een vergelijkbaar verkoopsargument wordt, kan dat Europese bedrijven helpen zich te onderscheiden van spelers die vooral op prijs concurreren.
Maar dan moeten we eerst uitzoeken hoe we de duurzaamheid van robots in kaart brengen en correct evalueren. Samen met andere robotica-experts zijn we momenteel de eerste stappen aan het zetten voor een robot-ecolabel dat alle robotonderdelen onderzoekt op vijf criteria - grondstoffengebruik, levensduur, koolstofvoetafdruk, energie-efficiëntie en circulariteit - en vervolgens een gebundeld cijfer geeft.
Dat robots onze wereld zullen veranderen is stilaan wel duidelijk. De vraag is: kunnen we dat doen op een duurzame manier, of storten we opnieuw een reusachtige afvalberg uit? In het tweede geval kan het hoekje van het containerpark snel te klein worden.

Bram Vanderborght is als professor robotica verbonden aan Brubotics (VUB) en imec. Zijn onderzoek focust onder meer op het gebruik van zachte en zelfhelende actuatoren voor cognitieve en fysieke mens-robotinteractie, en dat in toepassingsdomeinen zoals gezondheid en productie.
Gepubliceerd op:
17 augustus 2026












